Inloggen database
Boerenlandvogels Nederland
Kiezen voor grutto of kraai?
Kiezen voor grutto of kraai?

Reactie op berichten omtrent hoge predatie dd 9 juni 2016

Recent verschenen er berichten in de media en werden Kamervragen gesteld over hoge predatie bij weidevogels. Onder predatie verstaan we het opeten van eieren en kuikens door predatoren zoals zwarte kraai en vos. Dit jaar is, net als vorig jaar, sprake van relatief grote predatieverliezen van weidevogelnesten. Zo blijkt uit de database van LandschappenNL dat in 2015 en 2016 het predatieverlies van nesten bij de grutto tussen de 25 en 30% bedroeg.

Predatie is onderdeel van de natuur. Een weidevogelpopulatie in een groot gebied met voldoende opgroei- en schuilmogelijkheden voor kuikens kan heel goed een bepaalde mate van predatie hebben. In zo’n situatie gaat van nature het merendeel van eieren en kuikens verloren, door natuurlijke oorzaken waaronder predatie. Geen probleem, zolang er maar zoveel kuikens groot (vliegvlug) worden dat de populatie zich ten minste in stand kan houden.

In ons land zijn er echter nauwelijks nog gebieden waar sprake is van een dergelijke natuurlijke situatie. Helaas ontwikkelt de landbouw zich zo dat er wel gekozen moet worden tussen kraai en grutto; en dus voor weidevogelbeheer in slechts een beperkt aantal kerngebieden. Maar laat het dan ook een heldere keuze zijn met een dito consistente uitvoering.

Het willen bestrijden van predatoren is begrijpelijk: boeren en vrijwilligers die zich inzetten voor weidevogels zien ondanks al die inspanning stelselmatig nesten en kuikens verloren gaan. Maar over ‘predatiebeheer’ moet wel goed worden nagedacht: het is alleen acceptabel nadat aan bepaalde randvoorwaarden is voldaan:

  • De betrokken gebiedspartijen (boeren, terreinbeheerders, vrijwilligers en overheden) hebben gezamenlijk de keuze gemaakt om weidevogels in het gebied te willen behouden en leveren daartoe alle benodigde inspanningen;
  • Er is vastgesteld dat weidevogels het gebied mijden door aanwezigheid van predatoren of er is meer dan gemiddelde predatie vastgesteld op basis van registratie van lotgevallen van legsels;
  • Het gebied biedt duurzaam perspectief voor weidevogels: het is minimaal 100 ha groot, de openheid en rust zijn in orde en het sloot/grondwaterpeil is zo hoog dat voedsel (insecten, wormen ) aanwezig en bereikbaar is;
  • Het voorgenomen, dan wel het gerealiseerde weidevogelbeheer biedt goede perspectieven op voldoende broedsucces: er is voldoende kruidenrijk grasland met (tijdelijk) hoog slootpeil dat wordt gemaaid na het vliegvlug worden van de kuikens;
  • De kans op predatie wordt verkleind door - waar passend voor het gebied - het landschap open te houden, met name door bosjes af te zetten en rietkragen te maaien. Maar ook door rust te bevorderen, onder andere door alleen nesten te zoeken indien dat nodig is in verband met het beschermen tegen agrarische activiteiten. En door waar nodig wandel- en fietspaden te sluiten in het broedseizoen.

Predatorbeheer is alleen verantwoord als goede invulling is gegeven aan bovenstaande randvoorwaarden en maatregelen, en het resultaat desondanks niet heeft geleid tot verbetering van het broedsucces. Alleen dan is predatorbeheer een volgende stap om te zetten. Het voorgaande betekent ook dat maatregelen in het kader van graslandbeheer en van predatiebeheer soms (noodgedwongen) tegelijkertijd opgepakt kunnen/moeten worden. In dat geval is het ook wenselijk om een helder en consistent beleid te voeren rond predatorbeheer en goed te kijken naar de impact die een predator kan hebben op een lokale weidevogelpopulatie. Hoe groter die mogelijke impact, hoe dichter je komt bij een ‘zerotolerance’ beleid.

Van wezel en hermelijn is bekend dat ze een beperkte actieradius hebben en een beperkte impact op weidevogelpopulaties. Vossen hebben een grotere actieradius en in potentie een veel grotere impact; uit onderzoek is bekend dat een vos in een paar nachten tijd alle nesten in een gebied gevonden kan hebben. Daarom geldt in veel weidevogelkerngebieden een nulbeleid voor de vos.

Tenslotte:
Zoals gesteld, predatorbeheer alleen zal niet tot behoud van de weidevogelpopulatie leiden. Het is noodzakelijk (en wellicht afdoende) om eerst de genoemde set maatregelen cq randvoorwaarden uit te voeren. Predatorbeheer kan daar op volgen. Een belangrijke vraag in dit verband is hoe de situatie in kerngebieden zich zal ontwikkelen. Het is niet ondenkbaar dat predatoren zullen reageren op de grotere concentraties weidevogels in die kerngebieden. Dat zou betekenen dat je met de oplossing (kerngebieden) ook een deel van de problemen (hogere predatie)  weer in huis haalt.

We herhalen hier dan ook graag ons pleidooi voor een duurzamere landbouw, ook omwille van de weidevogels. Een innovatieve, minder intensieve landbouw biedt meer (fysieke) ruimte voor biodiversiteit. Alleen dan heeft de weidevogel kans om zichzelf in stand te houden. En hoeven we niet te kiezen tussen grutto en kraai.