Recent verschenen er berichten in de media en werden Kamervragen gesteld over hoge predatie bij weidevogels. Predatie is hier het opeten van eieren en kuikens door predatoren zoals de zwarte kraai en vos. Dit jaar is, net als vorig jaar, sprake van relatief grote predatieverliezen van weidevogelnesten. In 2015 en 2016 bedroeg het predatieverlies van nesten bij de grutto tussen de 25% en 30%, zo blijkt uit gegevens van LandschappenNL.
Predatie is geen probleem
Predatie hoort bij de natuur. Een weidevogelpopulatie in een groot gebied met voldoende opgroei- en schuilmogelijkheden voor kuikens kan heel goed een bepaalde mate van predatie hebben. In zo'n situatie gaat van nature het merendeel van eieren en kuikens verloren, door natuurlijke oorzaken waaronder predatie. Geen probleem, zolang er maar genoeg kuikens groot (vliegvlug) worden om de populatie ten minste in stand te houden.
In ons land zijn er echter nauwelijks nog gebieden waar sprake is van een dergelijke natuurlijke situatie. Helaas ontwikkelt de landbouw zich zo, dat er wel gekozen moet worden tussen kraai en grutto; en dus voor weidevogelbeheer in slechts een beperkt aantal kerngebieden. Maar laat het dan ook een heldere keuze zijn met een dito consistente uitvoering.
Predatie hoort bij de natuur.
Voorwaarden voor predatiebeheer
Het willen bestrijden van predatoren is begrijpelijk: boeren en vrijwilligers die zich inzetten voor weidevogels zien ondanks al die inspanning stelselmatig nesten en kuikens verloren gaan. Maar 'predatiebeheer' is alleen acceptabel nadat aan bepaalde randvoorwaarden is voldaan:
- Boeren, terreinbeheerders, vrijwilligers en overheden moeten er samen voor kiezen om weidevogels in het gebied te willen behouden en leveren daartoe alle benodigde inspanningen;
- Er is vastgesteld dat weidevogels het gebied mijden vanwege predatoren of er is meer dan gemiddelde predatie op legsels vastgesteld;
- Het gebied biedt duurzaam perspectief voor weidevogels: het is minimaal 100 ha groot, de openheid en rust zijn in orde en het sloot/grondwaterpeil is zo hoog dat voedsel (insecten, wormen ) aanwezig en bereikbaar is;
- Het voorgenomen, dan wel het gerealiseerde weidevogelbeheer biedt goede perspectieven op voldoende broedsucces: er is voldoende kruidenrijk grasland met (tijdelijk) hoog slootpeil, dat pas wordt gemaaid na het vliegvlug worden van de kuikens;
- De kans op predatie wordt verkleind door - waar passend voor het gebied - het landschap open te houden, met name door bosjes af te zetten en rietkragen te maaien. Maar ook door (op gezette tijden) rust te bevorderen.
Predatorbeheer is alleen verantwoord als goede invulling is gegeven aan bovenstaande randvoorwaarden en maatregelen, en het resultaat desondanks niet heeft geleid tot verbetering van het broedsucces. Hoe groter de impact, hoe eerder nulbeleid
Van wezel en hermelijn is bekend dat ze een beperkte actieradius hebben en een beperkte impact op weidevogelpopulaties. Vossen hebben een grotere actieradius en in potentie een veel grotere impact op weidevogels. Vandaar in veel weidevogelkerngebieden het nulbeleid voor de vos. Het predatieverlies van nesten bij de grutto tussen de 25% en 30%, zo blijkt uit gegevens van LandschappenNL.
Tot slot: predatorbeheer alleen zal niet tot behoud van de weidevogelpopulatie leiden. Het is alleen acceptabel als ook aan andere maatregelen voldoende invulling is gegeven. Een belangrijke vraag in dit verband is hoe de situatie in kerngebieden zich zal ontwikkelen. Misschien reageren predatoren op de hoge concentraties weidevogels in kerngebieden, en komen ze daar juist op af. Dat pleit voor een landbouw met meer fysieke ruimte voor weidevogels, zodat ze zich kunnen verspreiden en predatoren meer moeite moeten doen om ze te vinden. Alleen dan heeft de weidevogel kans om zichzelf in stand te houden. En hoeven we niet te kiezen tussen grutto en kraai.
Aad van Paassen is stafmedewerker bij LandschappenNL, koepelorganisatie en vertegenwoordiger van (onder andere) provinciale Landschappen.